De ING Arena was dinsdagavond niet uitverkocht. Voor een artiest met een catalogus vol meezingers is dat op zich al vreemd. Het publiek dat er wel stond, bestond vooral uit gays van alle geuren en leeftijden, aangevuld met vrouwelijke collega-types voor wie ‘Dancing On My Own’ al sinds hun studententijd hét lijflied is.
Robyn kwam ‘Sexistential’ voorstellen, haar plaat van eerder dit jaar. En ondanks het haar eerste album in acht jaar was, kwam en ging die weer zonder al te veel commotie te maken. Het is steengoede pop. Het is ook precies wat Robyn al doet sinds haar doorbraak. Een bewuste keuze, en misschien een verstandige. Waarom zou je iets anders gaan doen wanneer dance pop met meegil-refreinen je handelsmerk is?
Het concert opende met ‘Blow My Mind’, een cover van haar eigen nummer dat in 2002 uitkwam. Als single voelde dat destijds wat ongeïnspireerd. In de context van de set las ik het anders: Robyn die naar zichzelf verwijst als een soort altijd relevante, eindeloos recycleerbare popbijbel.
Het decor wilde meer dan het kon. De pyrotechniek was mooi en sloot naadloos aan bij de creative direction van ‘Sexistential’. Minder geslaagd waren de twee gigantische zeilen die uit het materiaal van een festivalponcho leken geknipt. Ze gingen open en dicht en bewogen, na een dramatische voorbereiding door de crew in het donker, als een hartslag op ‘With Every Heartbeat’. Het werkte niet. De zeilen hingen scheef en asymmetrisch, verre van indrukwekkend. De lichtshow zelf bonsde lekker op de BPM mee: veel rood en wit, veel flitsen.
Eén enkele polkadot-beenwarmer. Rode pumps. Een leren vest met SUCKER in studs. Knielappen. De garderobe van Robyn bleef bij elke wissel verrassen. Ze bewoog over het podium met de zelfverzekerdheid van die tante die na één glas te veel volledig losgaat op een trouwfeest. Ook dat sloot aan bij ‘Sexistential’. Wie zegt dat bijna vijftig worden niet sexy kan zijn?
Er stond een live band, dus ruimte om af te wijken was er zat. En net daar bleef ik op mijn honger zitten. De nummers die we al decennia meezingen, kwamen voorbij in exact de versies die in onze oortjes zitten. Verdacht weinig geriff, nauwelijks een nieuwe intro of outro, weinig dat het voor de band of het publiek fris kon houden. Dat voelde je. Een Robyn-nummer saai brengen is moeilijk, dat zal ik nooit beweren, maar die kleine sprankel ontbrak.
Het voorprogramma kwam van de Scandinavische indiepopdiva’s Smerz. Zij keerden later terug tijdens een pianoversie van ‘Be Mine!’, een van Robyns beste nummers. Een prachtidee. De drie stemmen klonken heerlijk samen, kwetsbaar, zoals de inhoud van het nummer. Zo hou je een wandelende hitparade live interessant: wees creatief met je klassiekers, steek ze in een nieuw en verrassend jasje.
In de setlist doken ook nummers op die Robyn er voor zichzelf en de die-hards in leek te steken. ‘Fembot’, de opener van haar zonverduisterende ‘Body Talk’ uit 2010. ‘Love Is Free’, een deep cut uit 2015 waarop ze gastvocalist is, en die ik tijdens het schrijven van deze review niet eens meer terugvind op de streamingdiensten.
Toen het vuurwerk in de zaal afging, voelde ik het contrast het scherpst. De helderheid van de vonken vertaalde zich niet naar wat er te horen was. ‘Dancing On My Own’ sloot af, uiteraard. Een schijnwerper vol glitter viel op Robyn, die in die regen bleef doorzingen. Op het einde zag ze eruit als een menselijke discobal. Wat Robyn eigenlijk ook wel omschrijft. (Carlo Croes)

